Volgens de Scheepvaartverkeerswet is het verboden te varen als men teveel alcohol heeft gedronken. Voor wie geldt dit verbod?
Toon antwoord
Correct antwoord
b. Voor de schipper EN voor degene die het schip stuurt.
Voorbeeldexamen voor het Klein Vaarbewijs 1, gepubliceerd door VAMEX in mei 2016. De vragen staan hieronder met het officiële antwoord en de toelichting.
Volgens de Scheepvaartverkeerswet is het verboden te varen als men teveel alcohol heeft gedronken. Voor wie geldt dit verbod?
Correct antwoord
b. Voor de schipper EN voor degene die het schip stuurt.
U vaart van Lith aan de Maas naar het Kanaal van St. Andries. U schut via de sluis (van St. Andries naar de Waal. U vaart de Waal af en volgt aansluitend de Boven Merwede. Bij Gorinchem passeert u een sluis en vaart naar de Linge. Zie het plaatje. Heeft u onderweg te maken met het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) of met het Rijnvaartpolitiereglement (RPR)?
Correct antwoord
a. Eerst met het BPR, daarna met het RPR en dan weer het BPR.
In het ‘Vaststellingsbesluit BPR’ staat waar het reglement geldt. Er staat ook waar het niet geldt omdat daar een ander reglement van kracht is. Zie ook in de ’Afbakening’. Sommige examenvragen zijn ondanks de geheimhouding bekend geworden. Vraag 2 in dit Voorbeeldxamen kwam in het echte examen voor. Deze vraag stond anno 2014 ook in cursusboeken met het juiste antwoord erbij. In de examens vulden 90% van de kandidaten bij deze vraag het juiste antwoord in. In de voorraad examenvragen kwam nóg een examenvraag voor, die NIET in de cursus- boeken stond. Zie het plaatje hiernaast en vergelijk de route met die in het plaatje bij vraag 2. Ook hier werd gevraagd met welk reglement of met welke reglementen u te maken heeft tussen Lith en de Linge maar nu via een andere route, waardoor u niet op de Waal vaart. Bij deze vraag antwoordde 70% dat het juiste antwoord zou zijn: BPR- RPR-BPR. Hetzelfde antwoord als bij de vraag 2 die in dit voorbeeldexamen staat! Bij deze tweede vraag die lijkt op de eerste, scoorde slechts 20% van de kandidaten het juiste antwoord: ‘alleen maar het BPR’. Waarschuwing: De bestaande examenvragen worden regelmatig gewijzigd. Leer daarom geen oefenvragen met antwoorden zomaar uit het hoofd. De kans is groot dat u bij een vraag in het examen dan verkeerd gokt omdat een examenvraag op detail juist anders kan zijn. Er zijn examenvragen waarvan wel 12 varianten bestaan, allemaal met een verschillend antwoord.
U vaart met een klein motorschip met kajuit. Er is een marifoon aan boord. Volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) moeten bepaalde documenten aan boord zijn. In sommige gevallen is voldoende om op de laptop een digitale versie (voor onmiddellijk gebruik) aanwezig te hebben. Voor welke documenten geldt dat?
Correct antwoord
a. Voor de tekst van het Binnenvaartpolitiereglement én voor het Handboek voor de Marifonie.
Artikel 1.10 lid 5 BPR (nieuw na wijziging in Stb.2015, 395) en art.1.11.
Een klein schip met een lengte van 8 meter vaart onder zeil en op de motor. Welke navigatielichten moet het volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) 's nachts voeren?
Correct antwoord
b. Toplicht, boordlichten en een heklicht.
Artikel 1.01 A15° en artikel 3.13 lid 1 BPR. De onder -a- genoemde verlichting wordt in de praktijk vaak gevoerd. Maar dat is een manier die verwarring geeft en in strijd is met het BPR. De onder -c- genoemde verlichting is correct wanneer het schip zeilt zónder de motor te gebruiken.
Een baggerwerktuig voert aan één kant een rode bol en aan de andere kant twee groene ruiten. Zie het plaatje. Wat betekent dit volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR)?
Correct antwoord
d. Dat een voorbijvarend schip aan de zijde van de groene ruiten moet passeren.
Artikel 3.25 lid 1a en 1b.
Een verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug kan worden kenbaar gemaakt door een geluidssein. Welk sein is dit volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR)?
Correct antwoord
c. Eén lange, één korte en één lange stoot: ____ __ ____
Artikel 4.02 lid 2 en Bijlage 6 onderdeel A.
Wat bepaalt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) ten aanzien van de marifoon?
Correct antwoord
b. Een KLEIN schip dat bij slecht zicht op radar vaart MOET een marifoon hebben.
Artikel 4.06 lid 2 BPR. De marifoon is al verplicht wanneer het kleine schip is uitgerust met radar. Dus zeker ook bij het varen op radar.
Volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) moet een snel schip voorrang verlenen aan een ander schip. Moet dit onder alle omstandigheden?
Correct antwoord
c. Ja, er zijn geen uitzonderingen op deze regel.
Artikel 6.02 BPR. ‘Andere schepen’ betekent ‘alle niet snelle schepen’ dus ook kleine schepen.
Twee kleine schepen naderen elkaar bij een engte. Klein motorschip Fin vaart voor stroom. Klein zeilschip Lot zeilt over bakboordboeg. Gelijktijdige doorvaart is niet mogelijk. Zie het plaatje. Regelt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) dit? Zo ja, hoe?
Correct antwoord
c. Ja, schip Lot moet voorrang verlenen.
Artikel 6.07 lid 5 BPR.
Klein motorschip Ger vaart op een hoofdvaarwater en wil rechtdoor. Groot zeilschip Wil verlaat de haven en gaat daarna naar bakboord. Zie het plaatje. Wat bepaalt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR)?
Correct antwoord
a. Schip Wil mag bij het uitvaren ‘medewerking verlangen’ van schip Ger. Schip Ger moet meewerken.
Bij de vaarregels kan er sprake zijn van ‘voorrang’ moeten verlenen en ‘medewerking’ moeten verlenen. Het gedrag op samenkomsten van een hoofdvaarwater met een nevenvaarwater of haven wordt geregeld in artikel 6.16 BPR. Het voorbeeld van vraag 10 wordt geregeld in artikel 6.16 lid 2 BPR. Daar staat dat het grote schip (Wil) (het BPR maakt hier geen onderscheid tussen motorschip of zeilschip) bij het uitvaren van het nevenvaarwater medewerking mag verlangen van een schip (Ger) op het hoofdvaarwater. Het maakt volgens het BPR in dit geval niet uit of het schip (Ger) op het hoofdvaarwater groot of klein is. Volgens artikel 6.03 lid 6 BPR moet het ‘uitvarende’ schip ervoor zorgen dat het schip op het hoofdvaarwater niet ‘plotseling en in sterke mate koers of snelheid moet wijzigen’. Hinderen mag dus, zolang dit
Klein zeilschip Nel vaart op ruim water en zeilt over stuurboordboeg. Voor hem nadert van bakboord groot motorschip Tom. Geen van de schepen volgt de stuurboordzijde van het vaarwater. Zie het plaatje. Wat bepaalt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR)?
Correct antwoord
a. Het kleine zeilschip Nel moet voorrang verlenen aan het grote motorschip Tom omdat Nel = klein en Tom = groot.
Bij de vaarregels kan er sprake zijn van ‘voorrang’ moeten verlenen en ‘medewerking’ moeten verlenen. Het gedrag op samenkomsten van vaarwaters van gelijk belang en het gedrag op ruim water wordt geregeld in artikel 6.17 BPR. Het voorbeeld van vraag 11 wordt geregeld in artikel 6.17 lid 3 BPR: als geen van de schepen de stuurboordzijde van het vaarwater volgt dan moet het kleine schip voorrang verlenen aan het grote schip. Wanneer een schip voorrang moet verlenen aan een ander schip mag dat andere schip helemaal niet gehinderd worden. Dat volgt uit artikel 6.03 lid 4 BPR. Merk op dat in dit lid 4 de woorden ‘plotseling en in sterke mate’ ontbreken. Vergelijk dit met lid 6, waarvan sprake was in de vorige vraag 10. De ‘medewerkingsregel’ staat naast de ‘voorrangsregel’. In de examenvragen wordt dat onderscheid strikt gevolgd. Wat in de antwoorden -b- en -c- wordt beweerd lijkt op andere situaties die verderop in artikel 6.17 BPR worden geregeld. De in antwoord -d- genoemde ‘medewerkingsregel’ komt in artikel 6.17 BPR niet voor. Wel in artikel 6.13, 6.14, 6.16 en 6.23 BPR; zie de toelichting bij vraag 10. Zie ook ons document ‘Struikelblokken’ elders op de website.
U ligt met uw schip gemeerd in een sluis. Mag u volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) uw schroef in werking hebben?
Correct antwoord
c. Nee, het is verboden de schroef in werking te hebben.
Artikel 6.28 lid 9 -e- BPR. 13 1 Artikel 6.29 lid 3 BPR. Antwoord I: Nee 1 Artikel 4.06 lid 2 BPR. Antwoord II: Ja In het beeldschermexamen komen de knoppen ‘JA’ en ‘NEE’ in beeld. Indien slechts één deel goed wordt beantwoord wordt toch 1 punt toegekend.
Hier volgen twee vragen over het varen bij slecht zicht. Vraag I: Mag een klein schip bij slecht zicht op ALLE BPR-vaarwegen zonder radar varen? Antwoord met ‘JA’ of ‘NEE’. Vraag II: Moet een klein schip, dat op radar vaart, volgens het BPR zijn uitgerust met een marifoon? Antwoord met ‘JA’ of ‘NEE’.
Correct antwoord
c. I: nee — II: ja
Hoofdstuk 7 Binnenvaartpolitiereglement (BPR) geeft voorschriften voor het stilliggen. Welk schip ligt stil volgens het BPR?
Correct antwoord
b. Een schip dat op neergelaten ‘spudpalen’ ligt.
Artikel 1.01 onder D 3°, 4° en 13° BPR.
De bestuurder van een snelle motorboot trekt daarmee een waterskiër. Wat bepaalt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR)?
Correct antwoord
a. De bestuurder moet een medeopvarende van tenminste 15 jaar oud als uitkijk aanstellen.
Artikel 8.06 lid 3 BPR.
U vaart op de rivier de Lek. Is er op die rivier een plaats in het vaarwater voorgeschreven?
Correct antwoord
c. U bent op de Lek niet verplicht een bepaalde zijde van het vaarwater aan te houden.
Artikel 9.04 BPR, van kracht op RPR-gebied via artikel 2 lid 3 van het Vaststellingsbesluit BPR. In de Bijlage 15a BPR wordt de Lek niet genoemd. NB: Bij de laatste wijziging van het BPR (Stb.2015, 395) is de stuurboordwalplicht op de Waal en op de Boven-Rijn afgeschaft!
U zeilt met een klein schip op een vaarwater waarop het Rijnvaartpolitiereglement (RPR) van kracht is. U vaart met een open zeilboot van 8 meter lang. Het is nacht en u voert een rondomschijnend wit licht in de top van de mast (zie plaatje). Verder heeft u een wit licht klaar liggen om de aandacht te trekken van naderende andere schepen. Wat is volgens het RPR juist?
Correct antwoord
b. Deze verlichting is voor elk klein zeilschip voldoende.
Artikel 3.13 lid 4 RPR. Let op: volgens artikel 3.13 lid 5 BPR is deze verlichting in BPR-gebied slechts toegestaan voor een klein zeilschip korter dan 7 meter.
Wat bepaalt het Rijnvaartpolitiereglement (RPR) over de vaarregels van een klein motorschip?
Correct antwoord
c. Een klein motorschip moet altijd voorrang verlenen aan een groot motorschip maar NIET ALTIJD aan een snelle motorboot.
Artikel 6.02 RPR. Uit lid 1 blijkt dat een klein schip voorrang moet verlenen aan een ander schip. ‘Ander’ is ‘niet-klein’ dus groot. Een snelle motorboot is wel klein, dus antwoord b is fout. Uit artikel 6.02 lid 2 RPR blijkt dat kleine schepen onderling artikel 6.04 RPR (= gebruik blauw bord en wit flikkerlicht) niet mogen toepassen, dus antwoord a is fout. Uit lid 2 blijkt ook dat de regel van artikel 6.04 RPR niet geldt tussen groot en klein, dus antwoord d is fout.
Waarom moet een wierfilter worden geïnstalleerd?
Correct antwoord
d. Om te voorkomen dat er vuil in het koelsysteem komt.
* (3 punten) Hoe kan men bij het starten van een benzinemotor het brand- en explosiegevaar zoveel mogelijk voorkomen?
Correct antwoord
c. Door een vonkvrije ventilator de dampen onder de motor te laten afzuigen.
Varen zonder reddingsvesten aan boord is erg onverantwoord. Wat is het advies over het minimale aantal reddingsvesten dat aan boord moet zijn van een klein schip?
Correct antwoord
a. Eén voor iedere opvarende.
Een gasdetector is uitgerust met één of meer sensoren. Waar moeten deze sensoren worden geplaatst?
Correct antwoord
c. In het laagst gelegen gedeelte van de ruimte waarin een gastoestel is geplaatst.
U wilt voorkomen dat de opvarenden overboord kunnen vallen. Welke maatregel geeft daarvoor de beste bescherming?
Correct antwoord
a. ‘Scepters’ aan de buitenkant van het dek aanbrengen met daar doorheen twee relingdraden op verschillende hoogte.
Een schip volgt de zwarte pijl. Zie het plaatje. De bolle ton is aan de onderkant groen en aan de bovenkant rood. Wat is juist ten aanzien van hoofdvaarwater - nevenvaarwater?
Correct antwoord
b. Het schip komt uit een nevenvaarwater en vaart het hoofdvaarwater in.
Wat is het karakter van een schitterlicht (Fl)?
Correct antwoord
a. Het schijnsel is korter dan de verduistering.
U ziet bij een brug een peilschaal. Zie het plaatje. Hoeveel onderdoorvaarthoogte wordt er aangegeven?
Correct antwoord
a. 6.70 meter
U ziet in de vaarweg een NAP-peilschaal. Zie het plaatje. Hoe hoog staat het water?
Correct antwoord
d. 11.25 meter boven NAP
In het vorig voorbeeldexamen stonden de antwoorden in andere volgorde.
U vaart op een kanaal en nadert een brug. In de waterkaart staat: brug H 12. De doorvaarthoogte is gegeven in decimeters ten opzichte van het kanaalpeil (KP). KP = NAP - 2 dm. Op de peilschaal bij de brug ziet u dat de waterstand NAP + 2 dm is. Wat is nu de doorvaarthoogte?
Correct antwoord
a. 8 dm.
Bij het oplossen van deze berekening kunt u het beste een schetsje op het kladpapier maken en daarin de afstanden vermelden. Stap 1. Trek eerst een lijn die de onderkant van de brug voorstelt . Stap 2. Trek dan een lijn die kanaalpeil (KP) voorstelt. Stap 3. Geef de verticale afstand tussen lijn 1 en 2 aan en noteer ‘12 dm’. Stap 4. Trek dan een lijn die NAP voorstelt: 2 dm boven het KP. Stap 5. Trek een lijn die de waterstand voorstel: 2 dm boven NAP. Stap 6. U kunt nu zien dat de afstand tussen de onderkant brug en het water 8 dm is. 1e onderkant brug: --------------------------------------------------------------- 3e 12 dm 6e 8 dm 5e water 2 dm 4e NAP 2 dm 2e kanaalpeil: ----------------------------------------------------------
Met welke term wordt windkracht 5 volgens Beaufort aangeduid?
Correct antwoord
a. Vrij krachtige wind.
Op de weerkaart ziet u de isobaren in een bepaald gebied ver van elkaar liggen. Wat kunt u in dit gebied verwachten?
Correct antwoord
b. Zwakke wind.
Wat is juist ten aanzien van de afgebeelde verkeerstekens?
Correct antwoord
c. Een zeilplank mag niet voorbij het linkse en niet voorbij het rechtse teken.
BPR Bijlage 7, verkeerstekens A.15 en A.17.Volgens art.1.01 A.16 BPR is een zeilplank een ‘klein zeilschip voorzien van...’. Dus alles wat geldt voor een zeilschip geldt automatisch ook voor een zeilplank. Andersom niet.
Wat is juist ten aanzien van het afgebeelde verkeersteken?
Correct antwoord
a. U mag meren en ankeren.
Zie de opschriften boven artikel 7.02, 7.03 en 7.04 BPR.
Een schip met een linkse schroef loopt geen snelheid door het water. Het is windstil. Het roer staat midscheeps. Wat gebeurt er als de schroef op achteruit wordt gezet?
Correct antwoord
c. Het achterschip trekt naar stuurboord.
U gaat ankeren op een meer. U besluit daar te overnachten. Het weerbericht zegt dat de wind uit dezelfde richting blijft waaien en ’s nachts in kracht zal toenemen. Wat is juist?
Correct antwoord
a. Als u de ankerplaats aan hogerwal heeft gekozen, ligt u rustiger dan aan lagerwal.
Een schip vaart dicht langs zijn stuurboordwal. Op een gegeven moment ontstaat sterke zuiging. Als de schipper niet ingrijpt zal het schip de oever raken. Op welke manier zuigt het schip naar de oever? Zie het plaatje.
Correct antwoord
a. Volgens het schip links op het plaatje.
Het waterpeil zakt aan stuurboord meer dan aan bakboord. Door de aanzuigende werking van de schroef zakt het waterpeil bij het stuurboordachterschip meer dan bij het stuurboordvoorschip. Daardoor zuigt het achterschip sterker aan dan het voorschip.
Wat is de 'dode hoek' van een schip?
Correct antwoord
a. Het gebied vóór de boeg van het schip dat door de schipper vanuit zijn stuurhut niet kan worden overzien.
Een motorschip waarvan de motor is uitgevallen, wordt gesleept. Doordat er geen schroefwater langs het roer stroomt, luistert het schip slecht naar het roer. Op welke manier kan er onder rustige omstandigheden het beste worden gesleept?
Correct antwoord
b. Met twee gekruiste korte trossen.
Een klein schip ligt afgemeerd op de manier zoals in het plaatje getekend. De lus van de rode lijn is belegd op een bolder stuurboordachter en de rode lijn is achterlangs een paal op de wal gelegd. De lijn is niet vastgemaakt op die paal maar loopt door naar een bolder stuurboord op het voordek. Daar is de lijn op die bolder vastgemaakt. Verder is de blauwe lijn vanaf het voorschip dwars uitgezet op een bolder aan de wal. Zie het plaatje. Wat is juist?
Correct antwoord
b. Het schip kan een heel stuk vooruit en achteruit bewegen. En het achterschip wordt niet goed tegen de wal gehouden. Het schip ligt daarom niet goed afgemeerd.
Bij dit onderwerp is in de Afbakening aangegeven dat u de kennis met betrekking tot ‘afmeren’ e.d. moet kunnen toepassen. Omdat allerlei factoren hier een rol kunnen spelen is het onvermijdelijk dat zo’n vraag veel informatie meekrijgt. Het wordt de
U vaart met uw schip recht voor de wind. U wilt afmeren en u kunt kiezen om dat aan stuurboord of aan bakboord te doen. Zie het plaatje. Het schip heeft een rechtse schroef. Welke wal kiest u en welke tros brengt u als eerste uit?
Correct antwoord
d. Aan bakboordwal op de achtertros.
Deze vraag is afgeleid van een vraag uit het vorige
U vaart met een motorboot die is voorzien van een rechtse schroef en een boegschroef. U moet keren, zonder achteruit te slaan, met een zo kort mogelijke draaicirkel. Zie het plaatje waarin het schroefwater van de voortstuwingsmotor en van de boegschroef is getekend. Kies de juiste mogelijkheid. 1
Correct antwoord
c. Mogelijkheid op het plaatje. 2
Bepaal eerst hoe met een rechtse schroef de kortste draaicirkel wordt bereikt. Bepaal daarna hoe de boegschroef daarbij helpen kan.
Bron: Voorbeeldexamen Klein Vaarbewijs 1, mei 2016, uitgegeven door VAMEX.
Bekijk het originele document (PDF)
Schip Ahoy is niet verbonden aan VAMEX.