Laden...

Proefexamen Vaarbewijs 1, 2008

VAMEX 2008 28 vragen Klein Vaarbewijs 1

Proefexamen voor het Vaarbewijs 1 (voorganger van het Klein Vaarbewijs 1), gepubliceerd door VAMEX in 2008. De vragen staan in de originele volgorde.

1
2 punten

De minimum leeftijd waarop een klein vaarbewijs mag worden afgegeven is:

a. 16 jaar
b. 18 jaar
c. 21 jaar
Toon antwoord

Correct antwoord

b. 18 jaar

2
1 punt

Dit is ondermeer van kracht op de:

a. Noord
b. Westerschelde
c. Waal
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Noord

3
2 punten

Een vaarwater is:

a. elk voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water
b. water dat afgebakend is door betonning en/of bebakening
c. het gedeelte van een vaarweg dat feitelijk door de scheepvaart kan worden gebruikt
Toon antwoord

Correct antwoord

c. het gedeelte van een vaarweg dat feitelijk door de scheepvaart kan worden gebruikt

4
2 punten

Welke navigatielichten mag een klein motorschip langer dan 7 meter voeren?

a. Wit rondom schijnend licht
b. Toplicht, boordlichten en wit rondom schijnend licht
c. Boordlichten en heklicht
d. Toplicht, boordlichten en heklicht
Toon antwoord

Correct antwoord

d. Toplicht, boordlichten en heklicht

5
2 punten

Hoe mag een klein motorschip het toplicht voeren?

a. Op het voorschip verenigd in één lantaarn met de boordlichten
b. Midscheeps verenigd in één lantaarn met het heklicht en de boordlichten
c. In de lengteas, ten minste één meter hoger dan de boordlichten
Toon antwoord

Correct antwoord

c. In de lengteas, ten minste één meter hoger dan de boordlichten

6
2 punten

In een nauw vaarwater wil een klein zeilschip X een klein zeilschip Y voorbij lopen. Welke regel is van kracht?

a. Schip X moet schip Y zo mogelijk aan diens loefzijde voorbij lopen
b. Schip X moet schip Y zo mogelijk aan diens lijzijde voorbij lopen
c. Schip X mag schip Y niet voorbijlopen en moet wachten op ruimer water
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Schip X moet schip Y zo mogelijk aan diens loefzijde voorbij lopen

7
2 punten

Een 'snel schip' en een klein motorschip naderen elkaar met kruisende koersen en er dreigt gevaar voor aanvaring. Wat is juist?

a. Beide schepen wijken uit naar stuurboord
b. Het kleine motorschip verleent voorrang aan het snelle schip
c. Het snelle schip verleent voorrang aan het kleine motorschip
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Het snelle schip verleent voorrang aan het kleine motorschip

9
2 punten

U vaart met een klein motorschip aan stuurboordwal. Er nadert op tegenkoers een klein zeilschip dat met zijn zeilen over bakboord voor de wind vaart en zijn bakboordwal houdt. Er dreigt gevaar voor aanvaring. Welke bewering is juist?

a. U moet voorrang verlenen omdat het zeilschip zijn zeilen over bakboord voert
b. U heeft voorrang omdat u uw stuurboordzijde van het kanaal houdt
c. U moet voorrang verlenen omdat het naderende schip een zeilschip is
Toon antwoord

Correct antwoord

b. U heeft voorrang omdat u uw stuurboordzijde van het kanaal houdt

10
2 punten

Een klein schip dat niet op radar vaart op een vaarwater dat niet genoemd wordt in bijlage 9 en tijdens slecht zicht de vaart voortzet, mag een mistsein geven. 1 Dit mistsein bestaat (te geven met tussenpozen van ten hoogste één minuut) uit:

a. één korte stoot
b. vijf korte stoten
c. één lange stoot
Toon antwoord

Correct antwoord

c. één lange stoot

11
2 punten

U nadert een brug welke de volgende lichten toont: Een rood licht met direct daaronder een groen licht. Wat betekent dit?

a. Doorvaart verboden maar zal aanstonds worden toegestaan
b. Doorvaart verboden maar zal aanstonds uit beide richtingen worden toegestaan
c. Doorvaart niet mogelijk buiten de bedieningstijden
d. Doorvaart uit beide richtingen toegestaan
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Doorvaart verboden maar zal aanstonds worden toegestaan

12
2 punten

Op de in bijlage 15 onder a van het BPR vermelde drukke doorgaande hoofdvaarwegen, met uitzondering van de Geldersche IJssel, de Boven-Merwede, de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal 1 geldt dat:

a. een klein schip alleen tijdens slecht zicht zoveel mogelijk de stuurboordwal moet houden
b. een klein schip zoveel mogelijk de stuurboordwal moet houden
c. een klein zeilschip zonodig mag laveren (opkruisen), indien de windrichting het niet toelaat om stuurboordwal te houden
Toon antwoord

Correct antwoord

b. een klein schip zoveel mogelijk de stuurboordwal moet houden

13
2 punten

Welke navigatieverlichting mag een klein motorschip in het RPR-gebied voeren?

a. Boordlichten en een heklicht
b. Een rondom schijnend wit licht (in plaats van het toplicht en het heklicht) en de boordlichten
c. Een rondom schijnend wit licht
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Een rondom schijnend wit licht (in plaats van het toplicht en het heklicht) en de boordlichten

14
1 punt

. Mag u met een zeilschip langer dan 20 meter door het kanaal van Gent naar Terneuzen varen met gehesen zeilen?

a. Ja, ten alle tijden
b. Neen, ook niet met de motor bij
c. Ja, mits de motor bij staat
d. Ja, alleen als het bezeild is
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Neen, ook niet met de motor bij

15
1 punt

Het smeeroliepeil moet regelmatig worden gecontroleerd. Wat kunnen de gevolgen zijn van een te laag oliepeil?

a. Onvoldoende smering, waardoor de olie onvoldoende op bedrijfstemperatuur komt.
b. Onvoldoende smering en daardoor te weinig motorkoeling
c. Voldoende smering, maar de olie wordt te warm
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Onvoldoende smering en daardoor te weinig motorkoeling

16
1 punt

Een buitenboordmotor is in een zogenoemde motorbun geplaatst. Waar moet u tijdens het gebruik op letten?

a. De uitlaat van de motor boven water blijft
b. De motor niet boven de bun uitsteekt
c. De bun voldoende toevoer van buitenlucht heeft
Toon antwoord

Correct antwoord

c. De bun voldoende toevoer van buitenlucht heeft

17
2 punten

Voor welke branden is water als blusmiddel geschikt?

a. Voor klasse C-branden
b. Voor klasse A-branden
c. Voor klasse B-branden
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Voor klasse A-branden

18
2 punten

Voor ieder gasverbruikstoestel dient een afsluiter te zitten. Als verbinding tussen deze afsluiter en het cardanisch opgehangen verbruikstoestel mag een rubber gasslang gebruikt worden. Om minimaal hoeveel tijd moet deze gasslang worden vernieuwd?

a. vijf jaar
b. twee jaar
c. vier jaar
d. drie jaar
Toon antwoord

Correct antwoord

d. drie jaar

19
2 punten

Hoeveel reddingvesten wordt er geadviseerd minimaal aan boord te hebben van een klein schip?

a. Eén voor de stuurman en één voor degenen die aan dek werken
b. Eén voor iedere opvarende plus een reserve
c. Eén voor iedere opvarende
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Eén voor iedere opvarende

20
2 punten

In het cardinale markeringssysteem kan een lichtboei ten noorden van een te markeren punt; 1 het volgende karakter hebben:

a. Fl 2 seconden
b. Oc 6 seconden
c. VQ
Toon antwoord

Correct antwoord

c. VQ

21
2 punten

Bij een licht in de kaart staat vermeld: Iso 8s. 1 Dit betekent dat het licht:

a. een schittering heeft van 8 seconden per minuut
b. 4 seconden aan en 4 seconden uit is
c. elke 8 seconden één schittering geeft
Toon antwoord

Correct antwoord

b. 4 seconden aan en 4 seconden uit is

23
2 punten

In de waterkaart staat bij een kanaal vermeld: D 12. Ook leest u op de kaart dat de diepten gegeven zijn in decimeters ten opzichte van kanaalpeil. KP = NAP+ 2 dm. In het kanaal is een peilschaal aangebracht waarop u afleest, dat de waterstand gelijk is aan NAP. De diepgang van het schip is 70 cm. 1 Bij doorvaart door het kanaal blijft onder de kiel nog over:

a. 50 cm
b. 30 cm
c. 20 cm
Toon antwoord

Correct antwoord

b. 30 cm

24
2 punten

U meet volgens de schaal van Beaufort een windkracht 6. Dit is een:

a. krachtige wind
b. vrij krachtige wind
c. harde wind
Toon antwoord

Correct antwoord

a. krachtige wind

25
2 punten

De wind is zuidoost. 1 De wind waait dan:

a. van het noordwesten naar het zuidoosten
b. van het zuidoosten naar het noordwesten
c. van het zuiden naar het oosten
Toon antwoord

Correct antwoord

b. van het zuidoosten naar het noordwesten

26
2 punten

Een schip voorzien van een linkse schroef ligt gestopt. Het is windstil. Het roer staat midscheeps. Wat gebeurt er als de schroef op achteruit wordt gezet?

a. Het achterschip trekt naar stuurboord
b. Het achterschip trekt naar bakboord
c. Het schip vaart in een rechte koers achteruit
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Het achterschip trekt naar stuurboord

27
2 punten

U wilt in een smal vaarwater keren. Dat kan niet in één keer. Uw schip heeft een rechtse schroef. Over welke boeg kunt u de manoeuvre het beste beginnen?

a. Over stuurboord
b. Het maakt geen verschil
c. Over bakboord
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Over stuurboord

28
2 punten

Bij een gemeerd liggend schip loopt een van de trossen van de bolder (of kikker) op het voorschip naar een vast punt op de wal ter hoogte van de midscheeps. Hoe noemt men deze tros?

a. Voortros
b. Achtertros
c. Achterspring
d. Voorspring
Toon antwoord

Correct antwoord

d. Voorspring

29
2 punten

Hoe worden manoeuvres op stromend water die te maken hebben met aankomen, afvaren, als ook ankeren bij voorkeur uitgevoerd?

a. Voorstrooms
b. Maakt geen wezenlijk verschil
c. Tegenstrooms
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Tegenstrooms

30
2 punten

Bij het schutten meert u af met twee sliptrossen. Moet u deze altijd in de hand houden?

a. Alleen als tijdens het schutten het waterpeil daalt
b. Ja, in alle gevallen
c. Alleen als tijdens het schutten het waterpeil stijgt
d. Alleen als er veel wind staat
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Ja, in alle gevallen

Bronvermelding

Bron: Proefexamen Vaarbewijs 1, 2008, uitgegeven door VAMEX.

Bekijk het originele document (PDF)

Schip Ahoy is niet verbonden aan VAMEX.