Laden...

Proefexamen Vaarbewijs 1, 2006

VAMEX 2006 25 vragen Klein Vaarbewijs 1

Proefexamen voor het Vaarbewijs 1 (voorganger van het Klein Vaarbewijs 1), gepubliceerd door VAMEX in 2006. Bevat 30 vragen met antwoorden.

1
2 punten

Het BPR . 1 Dit is niet van kracht op de:

a. Oosterschelde
b. Waddenzee
c. Westerschelde
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Westerschelde

2
2 punten

Een schip wordt als "varend" beschouwd 1 indien het:

a. ten anker ligt
b. aan de grond zit
c. zonder voortstuwing voort drijft
Toon antwoord

Correct antwoord

c. zonder voortstuwing voort drijft

3
2 punten

Een varend passagiersschip met een lengte van minder dan 20 meter moet overdag 1 het volgende teken voeren:

a. een gele ruit
b. een gele bol
c. een gele cilinder
Toon antwoord

Correct antwoord

a. een gele ruit

4
2 punten

Een motorschip voert drie loodrecht boven elkaar geplaatste toplichten. 1 Dit betekent:

a. twee of meer motorschepen een ander motorschip assisteren
b. de sleep is langer dan 110 meter
c. het motorschip sleept meer dan één schip in kiellinie
Toon antwoord

Correct antwoord

a. twee of meer motorschepen een ander motorschip assisteren

6
2 punten

Bij een brug of een aan beide zijden openstaande sluis waar geen stroom loopt en waar twee groene lichte boven elkaar worden getoond 1 moet(en):

a. alle andere kleine schepen de weg vrijlaten voor kleine zeilschepen die het bezeild hebben
b. een klein motorschip de weg vrijlaten voor een klein zeilschip dat het niet bezeild heeft
c. een klein zeilschip, dat het bezeild heeft, de weg vrijlaten voor een klein motorschip
Toon antwoord

Correct antwoord

a. alle andere kleine schepen de weg vrijlaten voor kleine zeilschepen die het bezeild hebben

7
2 punten

. Klein motorschip X vaart aan stuurboordzijde in een betonde XXXX vaargeul; klein zeilschip Y wil de vaargeul oversteken. YYYY 1 Dan geldt de volgende regel:

a. X moet zonodig meewerken aan de manoeuvre van Y
b. Y moet voorrang verlenen aan X omdat X aan stuurboordzijde van het lateraal gemarkeerde vaarwater vaart
c. X moet voorrang verlenen aan Y omdat een klein motorschip voorrang moet verlenen aan een klein zeilschip
Toon antwoord

Correct antwoord

b. Y moet voorrang verlenen aan X omdat X aan stuurboordzijde van het lateraal gemarkeerde vaarwater vaart

9
2 punten

(bijlage 6) Een schip wil keren over stuurboord. 1 Dit moet zonodig kenbaar gemaakt worden door door het geven van:

a. ____ ____ __ : twee lange stoten, gevolgd door één korte stoot
b. ____ __ : één lange stoot, gevolgd door één korte stoot
c. ____ ____ ____ __ : drie lange stoten, gevolgd door één korte stoot
Toon antwoord

Correct antwoord

b. ____ __ : één lange stoot, gevolgd door één korte stoot

12
2 punten

Moet men in het Nederlandse RPR-gebied aan boord van een snelle motorboot een registratiebewijs hebben? 1

a. Ja, hetzelfde registratiebewijs als bedoeld in artikel 8.01 BPR
b. Neen, dit is alleen van toepassing binnen het BPR-gebied
c. Ja, verstrekt door de Rijnvaartcommissie
Toon antwoord

Correct antwoord

a. Ja, hetzelfde registratiebewijs als bedoeld in artikel 8.01 BPR

13
2 punten

Binnenschepenwet (BSW) 1 Wat is het doel van de Binnenschepenwet?

a. Het registreren van de bedrijfsmatige en niet bedrijfsmatige vaart
b. Het stellen van uitrustingseisen voor grote- en kleine schepen
c. Het bevorderen van de veiligheid van de vaart van schepen op de binnenwateren en van de veiligheid aan boord van die schepen
Toon antwoord

Correct antwoord

c. Het bevorderen van de veiligheid van de vaart van schepen op de binnenwateren en van de veiligheid aan boord van die schepen

14
2 punten

(Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen) 1 Een klein schip is in het SRKGT gedefinieerd als:

a. een schip met een lengte van minder dan 20 meter, behalve een sleepboot, een duwboot of een veerpont
b. een schip met een lengte van minder dan 15 meter, behalve een sleepboot, een duwboot of een veerpont
c. een schip met een lengte van minder dan 20 meter
Toon antwoord

Correct antwoord

a. een schip met een lengte van minder dan 20 meter, behalve een sleepboot, een duwboot of een veerpont

15
2 punten

Het smeeroliepeil moet gecontroleerd worden. 1 Te laag oliepeil geeft:

a. onvoldoende smering, waardoor de olie niet voldoende op bedrijfstemperatuur komt.
b. onvoldoende smering en te weinig motorkoeling
c. voldoende smering, alleen wordt de olie te warm
Toon antwoord

Correct antwoord

b. onvoldoende smering en te weinig motorkoeling

16
2 punten

Met "mengsmering 1 : 50" bij een (buitenboord)motor 1 bedoelt men:

a. dat men ongeveer 50 uren kan varen als men 1 liter twee-takt motorolie aan de benzine toevoegt
b. dat men elk uur 1 liter twee-takt motorolie aan de benzine toe moet voegen als men 50 km/uur wil varen
c. dat er benzine gebruikt moet worden, waarbij 1 deel twee-takt motorolie toegevoegd moet worden aan 50 delen benzine, b.v. 1 liter olie op 50 liter benzine
Toon antwoord

Correct antwoord

c. dat er benzine gebruikt moet worden, waarbij 1 deel twee-takt motorolie toegevoegd moet worden aan 50 delen benzine, b.v. 1 liter olie op 50 liter benzine

17
2 punten

Wat zijn A-branden? 1 Dit zijn:

a. kernbranden in vaste stoffen zoals hout
b. gasbranden
c. vloeistofbranden
Toon antwoord

Correct antwoord

a. kernbranden in vaste stoffen zoals hout

18
2 punten

Op welke plaats in het schip zal zich bij lekkage propaan of butaangas verzamelen? 1 Dit verzamelt zich:

a. voornamelijk boven in de kajuit
b. in de buurt van het lek
c. vooral in het laagste gedeelte van het schip
Toon antwoord

Correct antwoord

c. vooral in het laagste gedeelte van het schip

19
2 punten

Het minimale aantal reddingsvesten aan boord van een zeiljacht moet bij voorkeur zijn, 1 één:

a. voor degene die het schip bestuurt
b. voor iedere opvarende die aan dek moet werken
c. voor iedere opvarende
Toon antwoord

Correct antwoord

c. voor iedere opvarende

20
2 punten

Stroomafwaarts varend in het Signi-betonningssysteem nadert u een ton die er als volgt uitziet: bolvormig, rood boven groen met een rode cilinder als topteken. 1 Om het hoofdvaarwater te volgen houdt u deze ton:

a. aan bakboord
b. naar keuze aan stuurboord of aan bakboord
c. aan stuurboord
Toon antwoord

Correct antwoord

c. aan stuurboord

21
2 punten

Bij een licht in de kaart staat vermeld: Iso 8s. 1 Dit betekent dat het licht:

a. een schittering heeft van 8 seconden per minuut
b. elke 8 seconden één schittering geeft
c. 4 seconden aan en 4 seconden uit is
Toon antwoord

Correct antwoord

c. 4 seconden aan en 4 seconden uit is

23
2 punten

Bij een vaste brug in de waterkaart staat: H 30. De doorvaarthoogte geldt ten opzichte van kanaalpeil (KP), waarvan gegeven is: KP = NAP - 5dm. Op de peilschaal bij de brug leest u af: waterniveau is NAP + 1 dm. De maximumhoogte van uw schip boven water bedraagt 22 dm. 1 Hoeveel dm speling heeft u dan onder de brug bij onderdoorvaart?

a. 4 dm
b. 2 dm
c. 7 dm
Toon antwoord

Correct antwoord

b. 2 dm

24
2 punten

In het weerbericht heeft men het over een krimpende wind. 1 Hiermee wordt bedoeld dat:

a. de windrichting verandert tegen de wijzers van de klok in
b. de windkracht afneemt
c. de windrichting verandert bijvoorbeeld van noord via noordoost naar oost
Toon antwoord

Correct antwoord

a. de windrichting verandert tegen de wijzers van de klok in

25
2 punten

De wind is zuidoost. 1 De wind waait dan:

a. van het zuiden naar het oosten
b. van het zuidoosten naar het noordwesten
c. van het noordwesten naar het zuidoosten
Toon antwoord

Correct antwoord

b. van het zuidoosten naar het noordwesten

26
2 punten

Vooruit vaartlopend bij roer naar stuurboord, zullen de krachten die op het roerblad werken, het achterschip naar:

a. stuurboord drukken
b. stuurboord of bakboord drukken afhankelijk van de draairichting van de schroef
c. bakboord drukken
Toon antwoord

Correct antwoord

c. bakboord drukken

27
2 punten

Een vaarwater is zó smal, dat u met uw schip niet in één keer kan keren (er staat geen stroom en wind). Uw schip heeft een rechtse schroef. 1 Het schip gaat het gemakkelijkst rond over:

a. beide boegen, want het maakt geen verschil
b. bakboord
c. stuurboord
Toon antwoord

Correct antwoord

c. stuurboord

28
2 punten

Uw schip ligt met stuurboordzijde aan de kade. De wind staat evenwijdig aan de kade en komt van achter in. Er staat geen stroom. 1 Bij het afvaren gaat u het beste als volgt te werk:

a. u laat de voorspring staan, slaat vooruit met stuurboordroer, waardoor het achterschip van de kade wegdraait en vaart dan achteruit af
b. u maakt alle trossen los en vaart voorzichtig vooruitvarend af
c. u laat de achterspring staan, slaat achteruit om de kop van het schip vrij te manoeuvreren en vaart dan af
Toon antwoord

Correct antwoord

a. u laat de voorspring staan, slaat vooruit met stuurboordroer, waardoor het achterschip van de kade wegdraait en vaart dan achteruit af

29
2 punten

U komt met een klein motorschip aan op een ligplaats aan hogerwal. U gaat bij voorkeur als volgt te werk: u vaart onder een hoek van ca. 45° naar de kade toe, 1 u brengt dan eerst uit een :

a. voorspring
b. achterspring
c. voortros
Toon antwoord

Correct antwoord

a. voorspring

30
2 punten

Om ten anker liggende vast te stellen of het anker niet krabt, 1 moet regelmatig:

a. de diepte met het lood of dieptemeter worden gecontroleerd
b. worden nagegaan of de ankerlijn/ketting strak staat
c. de ankerpeiling worden gecontroleerd
Toon antwoord

Correct antwoord

c. de ankerpeiling worden gecontroleerd

Bronvermelding

Bron: Proefexamen Vaarbewijs 1, 2006, uitgegeven door VAMEX.

Bekijk het originele document (PDF)

Schip Ahoy is niet verbonden aan VAMEX.