Volgens de Scheepvaartverkeerswet is het verboden te varen als men teveel alcohol heeft gedronken. Voor wie geldt dit verbod?
Toon antwoord
Correct antwoord
b. Voor de schipper EN voor degene die het schip stuurt.
Proefexamen voor het Klein Vaarbewijs 1, gepubliceerd door VAMEX in november 2013. Bevat 40 vragen met de officiële antwoorden.
Volgens de Scheepvaartverkeerswet is het verboden te varen als men teveel alcohol heeft gedronken. Voor wie geldt dit verbod?
Correct antwoord
b. Voor de schipper EN voor degene die het schip stuurt.
U vaart van Tiel via de Waal naar het Kanaal St.Andries. U schut via de sluis St.Andries naar de Maas en vaart naar Lith. Zie het plaatje. Met welk scheepvaartreglement of met welke scheepvaartreglementen heeft u onderweg te maken?
Correct antwoord
b. Eerst met het RPR en daarna met het BPR.
Vóór elk reglement is een zogenaamd "Vaststellingsbesluit" geplaatst. In dat Vaststellingsbesluit staat waar het reglement geldt. Sommige examenvragen zijn ondanks de geheimhouding bekend geworden. Kandidaten denken er baat bij te hebben het juiste antwoord uit het hoofd te leren. Waarschuwing: de examencommissie wijzigt bestaande examenvragen regelmatig. In een eerder proefexamen werd bij deze vraag de route van Lith naar Tiel gevraagd. Toen was het juiste antwoord: "Eerst BPR en daarna RPR".
Het BPR heeft het over goed zeemanschap onder bijzondere omstandigheden. Wat betekent dit volgens het BPR voor de schipper?
Correct antwoord
a. Dat hij in het belang van de veiligheid en goede orde ALS DAT NODIG IS MOET afwijken van de regels.
Artikel 1.05 BPR. Zie ook de samenhang met artikel 1.04 BPR.
Een klein schip vaart onder zeil en op de motor. Welke navigatielichten moet het volgens het BPR 's nachts voeren?
Correct antwoord
b. Toplicht, boordlichten en een heklicht.
Artikel 1.01 A15° en artikel 3.13 lid 1 BPR.
Een baggerwerktuig voert aan één kant een rode bol en aan de andere kant twee groene ruiten. Zie het plaatje. Wat betekent dit volgens het BPR?
Correct antwoord
d. Dat een voorbijvarend schip aan de zijde van de groene ruiten moet passeren.
Artikel 3.25 lid 1a en 1b.
Een verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug kan worden kenbaar gemaakt door een geluidssein. Welk sein is dit volgens het BPR?
Correct antwoord
c. Eén lange, één korte en één lange stoot: ____ __ ____
Artikel 4.02 lid 2 en Bijlage 6 onderdeel A.
Wat bepaalt het BPR ten aanzien van de marifoon?
Correct antwoord
b. Een KLEIN schip dat bij slecht zicht op radar vaart MOET een marifoon hebben.
Artikel 4.06 lid 2 BPR. De marifoon is al verplicht wanneer het kleine schip is uitgerust met radar. Dus ook bij het varen op radar.
Volgens het BPR moet een snel schip voorrang verlenen aan een ander schip. Moet dit onder alle omstandigheden?
Correct antwoord
c. Ja, er zijn geen uitzonderingen op deze regel.
Artikel 6.02 BPR. "Andere schepen" betekent "alle niet snelle schepen" dus ook kleine schepen.
Twee kleine schepen naderen elkaar bij een engte. Klein motorschip X vaart voor stroom. Klein zeilschip Y zeilt over bakboordboeg. Gelijktijdige doorvaart is niet mogelijk. Zie het plaatje. Regelt het BPR dit. Zo ja,hoe?
Correct antwoord
c. Ja; schip Y moet voorrang verlenen.
Artikel 6.07 lid 5 BPR.
Klein motorschip X vaart op een hoofdvaarwater en wil rechtdoor. Groot zeilschip Y wil de haven verlaten en daarna naar bakboord. Zie het plaatje. Wat bepaalt het BPR?
Correct antwoord
a. Schip Y mag bij het uitvaren "medewerking verlangen" van schip X. Schip X moet meewerken.
Bij de vaarregels kan er sprake zijn van "voorrang" moeten verlenen en "medewerking" moeten verlenen. Het gedrag op samenkomsten van een hoofdvaarwater met een nevenvaarwater of haven wordt geregeld in artikel 6.16 BPR. Het voorbeeld van vraag 10 wordt geregeld in artikel 6.16 lid 2 BPR. Daar staat dat het grote schip (Y) (het BPR maakt hier geen onderscheid tussen motorschip of zeilschip) bij het uitvaren van het nevenvaarwater medewerking mag verlangen van een schip (X) op het hoofdvaarwater. Het maakt volgens het BPR in dit geval niet uit of het schip (X) op het hoofdvaarwater groot of klein is. Volgens artikel 6.03 lid 6 BPR moet het "uitvarende" schip ervoor zorgen dat het schip op het hoofdvaarwater niet "plotseling en in sterke mate koers of snelheid moet wijzigen". Hinderen mag dus, zolang dit "verantwoord" gebeurt. De sleutel- woorden zijn "plotseling en in sterke mate". Het schip op het hoofdvaarwater moet meewerken; dat staat in artikel 6.03 lid 7 BPR. De "medewerkingsregel" staat naast de "voorrangsregel". In de examenvragen wordt dat onderscheid strikt gevolgd. Daarom zijn de antwoorden -b-/-c-/-d- stuk voor stuk fout. Het gestelde in antwoord -b- komt in heel artikel 6.16 BPR niet voor. Het gestelde in antwoord -d- geldt alleen wanneer verkeersteken B.9 is geplaatst. Zie daarvoor artikel 6.16 lid 8 BPR. De "medewerkingsregel" komt ook voor in artikel 6.13, 6.14 en 6.23 BPR.
Klein zeilschip X vaart op ruim water en zeilt over stuurboordboeg. Voor hem van bakboord nadert groot motorschip Y. Geen van de schepen volgt de stuurboordzijde van het vaarwater. Zie het plaatje. Wat bepaalt het BPR?
Correct antwoord
a. Het kleine zeilschip X moet voorrang verlenen aan het grote motorschip Y omdat X = klein en Y = groot.
Bij de vaarregels kan er sprake zijn van "voorrang" moeten verlenen en "medewerking" moeten verlenen. Het gedrag op samenkomsten van vaarwaters van gelijk belang en het gedrag op ruim water wordt geregeld in artikel 6.17 BPR. Het voorbeeld van vraag 11 wordt geregeld in artikel 6.17 lid 3 BPR: als geen van de schepen de stuurboordzijde van het vaarwater volgt dan moet het kleine schip voorrang verlenen aan het grote schip. Wanneer een schip voorrang moet verlenen aan een ander schip mag dat andere schip helemaal niet gehinderd worden. Dat volgt uit artikel 6.03 lid 4 BPR. Merk op dat in dit lid 4 de woorden "plotseling en in sterke mate" ontbreken. Vergelijk dit met lid 6, waarvan sprake was in de vorige vraag 10. De "medewerkingsregel" staat naast de "voorrangsregel". In de examenvragen wordt dat onderscheid strikt gevolgd. Wat in de antwoorden -b- en -c- wordt beweerd lijkt op andere situaties die verderop in artikel 6.17 BPR worden geregeld. De in antwoord -d- genoemde "medewerkingsregel" komt in artikel 6.17 BPR niet voor. Wel in artikel 6.13, 6.14, 6.16 en 6.23 BPR; zie de toelichting bij vraag 10.
U ligt met uw schip gemeerd in een sluis. Mag u volgens het BPR uw schroef in werking hebben?
Correct antwoord
c. Nee, het is verboden de schroef in werking te hebben.
Artikel 6.28 lid 9 -e- BPR
Hierna volgen twee beweringen over het varen bij slecht zicht in BPR-gebied. U moet die los van elkaar lezen. Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist zijn. Bewering I: Een klein motorschip mag bij slecht zicht volgens het BPR op alle vaarwegen zonder radar varen. Bewering II: Een klein motorschip hoeft bij het varen bij slecht zicht volgens het BPR voorop geen uitkijk te hebben. Welke bewering is juist of onjuist?
Correct antwoord
d. Bewering I is onjuist en II is juist.
Dit is een zogenaamde beweringsvraag. Hoe lost u die het beste op? Lees eerst de eerste bewering en vraag u af of het waar is of niet waar is wat daar staat. Zie artikel 6.29 lid 3 BPR: bewering I is niet waar (dus "onjuist"). Tip: schrijf op uw kladpapier: "I is onjuist". Dus vallen antwoorden a en c af want in die antwoorden staat dat bewering I juist zou zijn. Het goede antwoord is dus òf b òf d. Lees nu bewering II en vraag u weer af of het waar is of niet waar is wat daar staat. Zie artikel 6.33 lid 1b BPR: bewering II is waar (dus "juist"). Tip: schrijf op uw kladpapier: "II is juist". U leest nu op uw kladpapier: "I is onjuist. II is juist". Dus het juiste antwoord is d.
Hoofdstuk 7 BPR geeft voorschriften voor het stilliggen. Welk schip ligt stil volgens het BPR?
Correct antwoord
b. Een schip dat op neergelaten "spudpalen" ligt.
Artikel 1.01 onder D 3°, 4° en 13° BPR. Over het feit dat het BPR het stilliggen op z.g. “spudpalen” gelijk stelt met ankeren, werd nog niet eerder een vraag in het examen gesteld. Daarom is in het document "Nieuwe onderwerpen examen Klein Vaarbewijs" op onze website www.
De bestuurder van een snelle motorboot trekt daarmee een waterskiër. Wat bepaalt het BPR?
Correct antwoord
a. De bestuurder moet een medeopvarende van tenminste 15 jaar oud als uitkijk aanstellen.
Artikel 8.06 lid 3 BPR.
Wat is er bepaald over een registratiebewijs voor een snelle motorboot op het Nederlandse Rijnvaartpolitiereglement-gebied?
Correct antwoord
c. In het BINNENvaartpolitiereglement wordt voor het Nederlandse Rijnvaartpolitiereglement -gebied een registratiebewijs voorgeschreven.
Artikel 8.01 BPR, van kracht op RPR-gebied via artikel 2 lid 3 van het Vaststellingsbesluit BPR.
Wat bepaalt het RPR over de vaarregels van een klein motorschip?
Correct antwoord
c. Een klein motorschip moet altijd voorrang verlenen aan een groot motorschip maar NIET ALTIJD aan een snelle motorboot.
Artikel 6.02 RPR. Uit lid 1 blijkt dat een klein schip voorrang moet verlenen aan een ander schip. "Ander" is "niet-klein" dus groot. Een snelle motorboot is wel klein, dus antwoord b is fout. Uit artikel 6.02 lid 2 RPR blijkt dat kleine schepen onderling artikel 6.04 RPR (= gebruik blauw bord en wit flikkerlicht) niet mogen toepassen, dus antwoord a is fout. Uit lid 2 blijkt ook dat de regel van artikel 6.04 RPR niet geldt tussen groot en klein, dus antwoord d is fout.
Een klein schip volgt het Kanaal van Gent naar Terneuzen in de lengterichting. Wat schrijft het SRKGT voor?
Correct antwoord
b. Altijd stuurboordwal houden zo dicht als veilig en uitvoerbaar is.
Artikel 9 lid 1 SRKGT.
U heeft in uw schip een set van twee accu's staan, die geschakeld zijn zoals op het plaatje te zien is Er volgen twee beweringen over deze accu’s. U moet de beweringen los van elkaar lezen. Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist zijn. Bewering I: Dit is een 24 Volts systeem. Bewering II: Om deze accu's op te laden moet u altijd de blauwe kabel losmaken. Welke bewering is juist of onjuist?
Correct antwoord
a. Bewering I is juist en II is onjuist.
Dit is een zogenaamde beweringsvraag. Los die op volgens de methode die beschreven is bij het antwoord op vraag 13.
Waarom moet een wierfilter worden geïnstalleerd?
Correct antwoord
d. Om te voorkomen dat er vuil in het koelsysteem komt.
Hoe kan men bij het starten van een benzinemotor het brand- en explosiegevaar zoveel mogelijk voorkomen?
Correct antwoord
d. Door een vonkvrije ventilator de dampen onder de motor te laten afzuigen.
Varen zonder reddingsvesten aan boord is erg onverantwoord. Wat is het advies over het minimale aantal reddingsvesten dat aan boord moet zijn van een klein schip?
Correct antwoord
a. Eén voor iedere opvarende.
Een gasdetector is uitgerust met één of meer sensoren. Waar moeten deze sensoren worden geplaatst?
Correct antwoord
c. In het laagst gelegen gedeelte van de ruimte waarin een gastoestel is geplaatst.
U wilt voorkomen dat de opvarenden overboord kunnen vallen. Welke maatregel geeft daarvoor de beste bescherming?
Correct antwoord
a. Scepters aan de buitenkant van het dek aanbrengen met een relingdraad op 60 cm boven dek en daaronder nog een relingdraad op 30 cm hoogte.
Een schip volgt de zwarte pijl. Zie het plaatje. De bolle ton is aan de onderkant groen en aan de bovenkant rood. Wat is juist ten aanzien van hoofdvaarwater - nevenvaarwater?
Correct antwoord
b. Het schip komt uit een nevenvaarwater en vaart het hoofdvaarwater in.
Wat is het karakter van een schitterlicht (Fl)?
Correct antwoord
a. Het schijnsel is korter dan de verduistering.
U ziet bij een brug een peilschaal. Zie het plaatje. Hoeveel onderdoorvaarthoogte wordt er aangegeven?
Correct antwoord
a. 6.70 meter
U vaart in een kanaal met vaste bruggen. De doorvaarthoogte is volgens de kaart 35 dm (gegeven in decimeters ten opzichte van het kanaalpeil (KP)). De vaarweg is volgens de kaart 10 dm diep (gegeven in decimeters ten opzichte van het kanaalpeil (KP)). KP = NAP - 2 dm. De waterstand in het kanaal kan variëren. De hoogte van uw schip is 25 dm. U wilt 1 dm speling over houden tijdens het onderdoorvaren van de brug. De diepgang van uw schip is 10 dm. U wilt 1 dm kielspeling overhouden. Wat is de juiste waterstand om, met de gewenste speling, onder de brug door te kunnen varen?
Correct antwoord
c. De waterstand mag niet hoger dan NAP + 7 dm en niet lager dan NAP -1 dm zijn.
Bij het oplossen van deze berekening kunt u het beste een schetsje op het kladpapier maken en daarin de afstanden vermelden. NB. Lees goed wat wordt gevraagd: Hoe hoog mag het water maximaal staan om met de gewenste speling van 1 dm onder de brug door te kunnen varen en hoe laag mag het water maximaal staan om met de gewenste speling van 1 dm onder het schip daar te kunnen varen? Bij de waarden die in antwoord -b- worden gegeven kan het schip hier ook varen, en wel met meer speling. Maar dat wordt dus niet gevraagd. Daarom is antwoord -b- fout.
Met welke term wordt windkracht 5 volgens Beaufort aangeduid?
Correct antwoord
a. Vrij krachtige wind.
Op de weerkaart ziet u de isobaren in een bepaald gebied ver van elkaar liggen. Wat kunt u in dit gebied verwachten?
Correct antwoord
b. Zwakke wind.
Wat is juist ten aanzien van de afgebeelde verkeerstekens?
Correct antwoord
c. Een zeilplank mag niet voorbij het linkse en niet voorbij het rechtse teken.
BPR Bijlage 7, verkeerstekens A.15 en A.17. Volgens art.1.01 A.16° BPR is een zeilplank een "klein zeilschip voorzien van...". Dus alles wat geldt voor een zeilschip geldt automatisch ook voor een zeilplank. Andersom niet.
Wat is juist ten aanzien van het afgebeelde verkeersteken?
Correct antwoord
a. U mag meren en ankeren.
Zie de opschriften boven artikel 7.02, 7.03 en 7.04 BPR.
Een schip met een linkse schroef loopt geen snelheid door het water. Het is windstil. Het roer staat midscheeps. Wat gebeurt er als de schroef op achteruit wordt gezet?
Correct antwoord
c. Het achterschip trekt naar stuurboord.
Op het plaatje zijn drie verschillende soorten ankers afgebeeld. Bij welke letter is een stokanker afgebeeld?
Correct antwoord
a. Bij X.
Een vraag over een bepaald “type anker” werd nog niet eerder in het examen gesteld. Daarom is in het document "Nieuwe onderwerpen examen Klein Vaarbewijs" op onze website www.
Een schip vaart dicht langs zijn stuurboordwal. Op gegeven moment ontstaat sterke zuiging. Als de schipper niet ingrijpt zal het schip de oever raken. Op welke manier zuigt het schip naar de oever? Zie het plaatje.
Correct antwoord
a. Volgens het schip links op het plaatje.
Het waterpeil zakt aan stuurboord meer dan aan bakboord. Door de aanzuigende werking van de schroef zakt het waterpeil bij het stuurboordachterschip meer dan bij het stuurboordvoorschip. Daardoor zuigt het achterschip sterker aan dan het voorschip.
Wat is de 'dode hoek' van een schip?
Correct antwoord
a. Het gebied vóór de boeg van het schip dat door de schipper vanuit zijn stuurhut niet kan worden overzien.
Een motorschip waarvan de motor is uitgevallen wordt gesleept. Doordat er geen schroefwater langs het roer stroomt luistert het schip slecht naar het roer. Op welke manier kan er onder rustige omstandigheden het beste worden gesleept?
Correct antwoord
b. Met twee gekruiste korte trossen.
Een klein schip ligt afgemeerd op de manier zoals in het plaatje getekend. De lus van de rode lijn is belegd op een bolder stuurboordachter en de rode lijn is achterlangs een paal op de wal gelegd. De lijn is niet vastgemaakt op die paal maar loopt door naar een bolder stuurboord op het voordek. Daar is de lijn op die bolder vastgemaakt. Verder is de blauwe lijn vanaf het voorschip dwars uitgezet op een bolder aan de wal. Zie het plaatje. Wat is juist?
Correct antwoord
b. Het schip kan een heel stuk vooruit en achteruit bewegen. En het achterschip wordt niet goed tegen de wal gehouden. Het schip ligt daarom niet goed afgemeerd.
U vaart met uw schip recht voor de wind. U wilt afmeren en u kunt kiezen om dat aan stuurboord of aan bakboord te doen. Het schip heeft een rechtse schroef. Welke wal kiest u en welke tros brengt u als eerste uit?
Correct antwoord
d. Aan bakboordwal op de achtertros.
Deze vraag is omgebouwd van een vraag uit het vorige proefexamen. De examencommissie wijzigt bestaande vragen regelmatig. Daarom zijn de examenvragen bijna nooit hetzelfde als de in omloop zijnde oefenvragen.
U vaart met een motorboot die is voorzien van een rechtse schroef en een boegschroef. U wilt keren met een zo kort mogelijke draaicirkel. Hoe doet u dat?
Correct antwoord
c. U geeft bakboord roer en zet de motor op vooruit. U laat de boegschroef het voorschip naar bakboord duwen. Zie oplossing Y op het plaatje waarin het schroefwater is getekend.
Bepaal eerst hoe met een rechtse schroef de kortste draaicirkel wordt bereikt. Bepaal daarna hoe de boegschroef daarbij helpen kan. Tips bij het bestuderen van de examenstof Tip 1 Leer niet de antwoorden uit het hoofd.
Bron: Proefexamen Klein Vaarbewijs 1, november 2013, uitgegeven door VAMEX.
Bekijk het originele document (PDF)
Schip Ahoy is niet verbonden aan VAMEX.